EEN ONAFSCHEIDELIJK DUO DAT EEN TRIO WERD

ZIJ RIJDEN MET EEN MERCEDES W124

Beste collega’s ik ben enorm opgetogen dat het dossier in de Gazette 164 over de W124 handelt. Zelf ben ik de trotse bezitter van twee exemplaren en ik heb er al enorm veel plezier aan beleefd, aan de ene al wat meer dan aan de andere maar dat is louter tijdgerelateerd omdat ik de ene al een stuk langer heb dan de andere.

De twee modellen waar ik het over heb zijn een 300 D uit het jaar 1987 die ik al negen jaar heb en een cabriolet E 200 van 1994 die ondertussen vier jaar deel uitmaakt van de familie. De reden waarom ik terecht gekomen ben bij de W124 is een deeltje jeugdsentiment en het feit dat ze de reputatie hebben oerdegelijk te zijn.
Ik ben gek van de jaren tachtig en vermits ik geboren ben in 1982 liggen mijn eerste herinneringen ook aan het einde van dat decennium en toen was er wel een W124 te spotten op elke straathoek. Het model was werkelijk alom tegenwoordig tijdens de jaren tachtig en de vroege jaren negentig, het leek wel alsof iedereen er eentje had, van Uncle Phil in ‘The Fresh Prince of Bel-Air’, over een schimmige voetbalmakelaar die Pico Coppens wou transfereren in ‘FC De Kampioenen’ tot de bankovervallers uit de film ‘Taxi’ van Luc Besson.

De jaren tachtig staan voor mij synoniem met superlatieven, getuigen daarvan zijn bijvoorbeeld de Ferrari Testarossa, de GSM van Gordon Gekko in de film Wall Street en de punt-BH van Madonna. De W124 is ook zo’n icoon van die periode en dat superlatieve vertaalde zich in een eindproduct dat tot op de dag van vandaag nog altijd de reputatie heeft van onverslijtbaar te zijn. Dat leek me in 2011 de ideale combinatie tussen in een klassieker rijden en veilig en betrouwbaar onderweg te zijn voor een tijdje.
Na een zoektocht op het wereldwijde web kwam ik terecht bij een 300 D met een verweerde Barolo-rode kleur en beige interieur die er op het eerste zicht niet meer al te fris uitzag, maar hij had wel een lage kilometerstand. De auto bleek hard te zijn, op het eerste zicht zag het motorblok er ook mooi droog uit en bijgevolg kocht ik mijn eerste Mercedes.

We werden al snel een onafscheidelijk duo en het zou blijken dat dit geen auto was die ik slechts een tijdje zou gaan gebruiken, dit was een blijver. De simpele techniek en de grote toegang tot informatie van gelijkgestemde zielen zorgde er ook voor dat ik zelf begon te sleutelen aan mijn trouwe vriend. Voor mijn W124 had ik nooit durven dromen dat ik bijvoorbeeld ooit een koppeling van een auto zou kunnen vervangen.
Nadat de 300 D in 2015 technisch goed op punt stond wou ik er wel eens een reis mee maken en voegde de daad al snel bij het woord. De reis zou ons naar Eisenach brengen, waar vrienden wonen om van daar door te reizen naar Hallstatt en Hotel Brückenhof in Ramsau am Dachstein in Oostenrijk, waar mijn vrouw en ik elkaar leerden kennen. Op de terugweg stond een bezoek aan de Mercedes fabriek in Sindelfingen en het museum op het programma.
De reis werd een mooie roadtrip met een bezoek aan de voormalige fabrieken van Wartburg en EMW in Eisenach en een bezoek aan het pittoreske Hallstatt in Oostenrijk maar de kers op de taart was natuurlijk de passage in Stuttgart: de 300 D was terug waar het voor hem allemaal begon!

Sinds die reis heeft de 300 D een hele metamorfose ondergaan, hij heeft een nieuw laagje Barolo-rood gekregen en alle roestplekken zijn weggewerkt. Hij is wel nog steeds mijn dagelijkse vervoermiddel en we zijn nog steeds datzelfde onafscheidelijke duo.

Ondertussen heeft hij wel het gezelschap gekregen van de E200 cabriolet (A124). De verhalen en herinneringen zijn nog niet zo groot als bij de 300 D maar dat komt nog wel want het is een ongelooflijk fijne auto. Het is een Bornit-kleurige Sportline uitvoering met automaat en vooral dat laatste maakt het de perfecte auto om langs plattelandswegen te flaneren op mooie zomerse dagen.

Zelfs ik moet toegeven dat de W124 misschien niet de meeste opwindende Mercedes is die ooit de fabrieken in Sindelfingen verlaten heeft maar we kunnen niet om het feit heen dat het een model is dat een stamvader is voor verschillende nieuwe modellen. Het feit dat er zo’n enorm aantal van geproduceerd zijn maakt dat ieder van ons wel een herinnering heeft aan het model of iemand kent die er eentje gehad heeft.

De sfeer rond het model is gelukkig de laatste jaren omgeslagen, toen ik de mijne in 2011 kocht hadden ze in oldtimer middens vaak de kwalijke reputatie de auto te zijn voor wie geen verkeersbelasting wou betalen. Liefhebbers die het wel goed meenden kregen daarom nogal eens smalende blikken maar dat is de laatste tijd niet meer het geval, niet zelden krijg ik een duimpje als ik er mee rondtoer.

Ik hoop nog lange tijd plezier te hebben aan mijn beide klassiekers zodat we nog lang dit onafscheidelijke duo, dat ondertussen een trio geworden is, kunnen blijven. Hopelijk zien we elkaar ook snel weer op één van de rondritten van de club en kunnen we weer ongedwongen genieten van onze sterren met een hapje en een drankje maar hou het ondertussen veilig!

Tekst: Tom Schots – foto’s: Kristof Allard

error: Content is protected !!