DOSSIER De “nieuwe generatie Mercedes-Benz”: model W114-W115

‘Vooruit denken’: met deze filosofie werd begin 1962, bij de wisseling van de 190b ( W121) Ponton  naar de 190c (W110) Heckflosse, gestart met de ontwikkeling van een nieuw model in een nieuw marktsegment : de hogere middenklasse.

De eisen die Daimler zich oplegde waren: een modern onderstel, verbeterde passieve en actieve veiligheid, grotere binnenruimte bij kleinere buitenafmetingen maar vooral het einde van de eenheidscarrosserie; een nieuw segment waarin de lijn van S-klasse herkenbaar is maar het model verschillend.

En zo werd op het autosalon van Geneve in maart 1968 “ de nieuwe generatie Mercedes-Benz” voorgesteld. De modellen W114, met benzine 6-cylinder motoren en de W115 met benzine- en diesel 4-cylinder motoren. Om geen verwarring te krijgen met de al bestaande 200, 230 en 200D werd nu het suffix /8 toegevoegd. Dit als verduidelijking dat om modellen uit 1968 ging. En zo werden al vlug de 200/8, 230/8 en 200D/8 en alle andere W114 en W115 varianten genoemd als /8 of bar8. Deze aanduiding werd behouden en de lanceringslogan ‘ nieuwe generatie Mercedes-Benz’ verviel snel. Hoe simpeler, hoe beter geldt in de marketing. En zo spreken we nu nog van /8.

De /8 was als model sierlijker door zijn kortere en minder brede koetswerk met langere wielbasis en lagere daklijn als zijn voorganger de Heckflosse W110. Dit silhouet van de lagere lijn wordt nog geaccentueerd door een doorlopende sierlijst over de gehele flank. Ook de  kortere en rankere achterbouw en verbrede C-stijlen dragen hier aan bij. Het voorfront, met rechthoekige staande lichten, de vlakke en bredere grill geven een solide indruk. En de grote achterlichten, achterraam en verlaagde kofferdrempel maken de lijn af. De dunnere bumpers zonder opzethoorns en de banden op de 14 inch velgen maken de wagen ‘lichter’.

Maar de meeste vernieuwing gebeurde onder het blik van het versterkte koetswerk. De dubbele draagarmen van de voorwielophanging werden nu zodanig verbonden dat het duiken bij het remmen zo goed als wegvalt. Helemaal nieuw was de achterwielophanging, die nu onafhankelijk was, een primeur. Dit gaf de wagen een nooit gekende baanvastheid en stabiliteit. Vier schijfremmen met bekrachtiging waren standaard. De handrem werd bediend door een voetpedaal en ontgrendelingsknop op het dashboard. Met de stuur-inrichting met kogelkringloop, kon je met minder dan 5 omwentelingen van uiterst recht tot uiterst links, en dit op wens met bekrachtiging. De versnellingsbakken kregen een sper syncronisering, zodat het haken in de bak volledig verdween. Op de optielijst stond ook een 3traps automaat met ontdubbelde eerste versnelling. En je kon kiezen voor stuur- of vloerschakeling. Dit alles leidde tot een ongekend rijcomfort en hoge veiligheid.

Binnenin was het ruimer, vooral op hoofdhoogte maar vooral comfortabeler. Al leek het geheel sober, alles was ontworpen met oog op comfort, degelijkheid en functionaliteit. De lange optielijst gaven een persoonlijk invulling . Ook de instrumenten waren met dezelfde insteek ontworpen : eenvoudig naar bediening, zoals de linker combi-aanwijzer maar functioneel.

Terwijl de carrosserie maar één keer een upgrade kreeg in 1973 : een lagere maar bredere grill, grotere buitenspiegels, verdwijnen van de tochtruitjes en grotere achterlichten met ribbels; werd er in het interieur bijna jaarlijks iets aangepast. Van gordels, aanstekers, veiligheidsglas, klokjes, vierspakig stuurwiel, hoofdsteuen en zo verder. Dit steeds meegaand met de eisen en wensen van de klant en komende wetgeving.

Daimler maakt bij dit model met de onderscheid in de motoren ook het onderscheid in de modelbenaming : W114 en W115.

De 4-cylinder benzine motoren waren met de start de 200 (95pk) en de 220 ( 105pk). De 200 stamde voort uit zijn voorganger en kreeg nu een Stromberg carburator. Alzo werd de motor zuiniger en koppelrijker op lagere toeren. De 220 was een langere slag motor van de 200 met meer elasticiteit en koppel. In 1973 kwan de nieuwe 230.4 ( 110pk) de 220 aflossen. De 230.4 was een vlotte, toegankelijke en krachtige motor en alzo zeer geliefd. Met +-500.000 gebouwde /8 4-cylinder wagens op een totaal van 1.9 Mio eenheden deed de W115benzine het goed.

De 4-cylinder diesel motoren waren met de start de 200D (55pk) en de 220D (60pk). Dezelfde aanpak als bij de benzine motoren was het credo. De 220D werd hierdoor minder luidruchtig. In 1973 verscheen de 240D (65pk), die met zijn aangepaste achterbrug verhouding nu ook mee kon op de snelle autobaan, met zijn 138 km/h top. Maar met de in 1974 voorgestelde 240D3.0 ( 80pk) lukte dit beter. De 3.0 was een 5-cylinder diesel; een cylinder meer als de 240D. En de 240D3.0 kreeg als eerste dieselwagen een start-automaat. Zo kon je nu de wagen met de sleutel starten; einde startknop. De grote troef van de dieselmotoren was naast hun laag verbruik en legendarische betrouwbaarheid hun duurzaamheid. De kilometerteller die nog maar tot 100.000 km ging kon zo 10 rondjes en meer maken. Professioneel reed je met een diesel /8, van taxi tot meer. Dit verklaart dat er meer dan 950.000 gebouwd werden, meer als de helft van alle gebouwde /8 wagens.

De 6-cylinder benzine motoren lagen in het W114 model. De start vertrok met de 230 (120pk) uit zijn voorganger. Deze werd later230.6 genoemd om het verschil met de 230.4 duidelijk te houden. De 250 ( 130pk) was een nieuw ontwikkeld blok ook gevoed door 2 Zenith carburators. De meerprijs van meer dan 10% in vergelijking met de 230.6, en dit voor maar 10 pk meer koos de klant eerder voor de 230.6. Einde 1972 verscheen de 280 (160pk) en de 280 E ( 185pk). Met dit nieuwe blok, M110, uit de W116 S-klasse, werd de /8 een snelle reislimousine die de magische +200km/h haalde en in 9.5 sec naar 100km/h spurtte. De W114 deed het goed in de verkoop; met +-400.000 verkochte wagens waren het nauwelijks minder als de 4-cylinder benzine W115.

Een bijzondere variant is de /8 coupé. Daimler bouwde in het verleden diverse coupé modellen en dit steeds met een aparte carrosserie en met de hand geassembleerd ( tot zelfs de W111 serie). De uitdaging was nu een confectie coupé te bouwen. Immers door de carrosserie zoveel mogelijk te delen en de aandrijflijn over te nemen moest het mogelijk zijn de wagen te bouwen op een productielijn, in grotere aantallen en goedkoper.

Alzo werd de /8 coupé in 1968 ontworpen en onder de gordellijn op de deuren na identiek als de 4-deurs. De daklijn werd ingekort ( coupé) en verlaagd. De deuren verlengd om achter instappen mogelijk te maken en de voorruit werd schuiner gezet. De middenstijl verviel, wat een hardtop gevoel gaf. Door de chroom afwerking op het dak werd dit geaccentueerd, met een knipoog naar het Pagode model.

In 1969 kwam deze W114 variant op de markt als 250C ( 130pk) . Binnenin was de wagen afgewerkt met meer chroom en tapijt . De sensatie kwam er in mei 1969 met de 250CE (150pk). De 250 motor werd nu uitgerust , als eerste MB-wagen, met een elektronisch gestuurde benzine injectie ( D-Jetronic). Dit maakt van de 250CE een wagen die aan de gas hangt als nooit eerder ervaren. Een genot om mee te rijden, wat zich laat zien in de verkoop. Medio 1972 wordt dan ook de M110 ingebouwd als 280C en 280CE. Met +- 60.000 verkochte coupé wagens heeft Daimler nu een manier gevonden om deze coupé-variant grootschalig in de markt te zetten. Voor herhaling vatbaar.

Om af te sluiten om ook nog even de W115 lang belichten. Deze met een 65 cm langere wielbasis variant werd in de markt gezet als 230, 220D en later 240D. De langere versie W115 is er als 8- zit taxi of ook als Pullman-Limousine met 5 plaatsen. Het onderstel werd ook gebruikt voor ziekenwagen- of kombi opbouw.

Met het /8 model heeft Daimler een segment bij gecreëerd in de automobielmarkt. Het segment van de hogere middenklasse wagen. Een segment dat verder zal groeien en later gedoopt wordt tot het door ons bekende E-klasse segment.

 

 

error: Content is protected !!